“Perché la democrazia è fatta di esercizio di libertà. Libertà che, quanti esercitano pubbliche funzioni – a tutti i livelli -, sono chiamati a garantire. (…) Non dobbiamo farci vincere dalla rassegnazione. O dall’ indifferenza. Non dobbiamo chiuderci in noi stessi per timore che le impetuose novità che abbiamo davanti portino soltanto pericoli. Prima che un dovere, partecipare alla vita e alle scelte della comunità è un diritto di libertà. Anche un diritto al futuro. Alla costruzione del futuro. Partecipare significa farsi carico della propria comunità. Ciascuno per la sua parte.”
Sergio Mattarella – Presidente della Repubblica Italiana – 31 december 2023.[1]
De zorgen om de democratie bereikten een hoogtepunt bij de Tweede Kamerverkiezingen van november 2023 waar de PVV met zijn vele anti-rechtsstatelijke voorstellen met 37 zetels de grootste werd. Ruim een jaar later staan die zorgen nog recht overeind. Want was de rechtsstaatverklaring in het nieuwe regeerakkoord op zich al een merkwaardige zaak, het Kamerdebat bij het aantreden van het kabinet-Schoof liet direct zien dat een afspraak op papier nog geen breed gedragen opvatting is. Aanstaande bewindslieden ventileerden zonder terughoudendheid anti-rechtsstatelijke opvattingen, om die overigens bij het eerste zuchtje tegenwind schielijk weg te moffelen als een opvatting uit het verleden in een andere rol. Vervolgens ging het morrelen aan democratie en rechtsstaat gewoon door, maar nu ook vanuit het kabinet. Denk aan de debatten rondom noodwetgeving voor de zogenaamde asielcrisis en de daaromheen kwistig de media in geworpen stukken roodvlees, aan ideeën van de coalitie om het demonstratierecht in te perken, of aan uitspraken om bij het bevorderen van de woningbouw desnoods ‘dwars door het huis van Thorbecke’ heen te gaan. Keer op keer ziet de oppositie in het parlement zich gedwongen op te treden als verdediger van democratie en rechtsorde. Terecht, maar hoe noodzakelijk ook, steeds bekruipt je het gevoel dat die verdedigende acties onvoldoende zijn voor de bestrijding van de rechts-radicale politiek.
Historisch steunt de ontwikkeling van de moderne democratie op het maatschappelijk verzet tegen de antidemocratische krachten die ongelijkheid, privilege en sociale onrechtvaardigheid in stand wilden houden. Die strijd was er niet perse een voor het politieke spel zoals we dat tegenwoordig kennen. Mensen wilden vooral een regering door het volk omdat ze autonomie, waardigheid, burgerrechten en een meer egalitaire sociaaleconomische ontwikkeling wilden.[2] Deze waarden werden de maatstaf voor de inrichting van de democratische rechtsstaat en sinds het midden van de 19e eeuw is op dit vlak dankzij de inzet van sociale bewegingen en progressieve politieke partijen enorme vooruitgang geboekt. De resultaten werden vastgelegd in de sociale wetgeving en het uitgebreide stel van voorzieningen op het gebied onderwijs, gezondheidszorg en bijstand dat we de verzorgingsstaat zijn gaan noemen. De verzorgingsstaat combineerde altijd twee dingen: inhoudelijke afspraken die waardigheid en gelijkheid bevorderden én een stelsel van politieke democratie en maatschappelijke participatie. De progressieve ontwikkeling bleef doorgaan tot de jaren tachtig van de voorbije eeuw, maar het gegeven dat de democratie nu verdedigd moet worden laat zien dat die vooruitgang op zijn zachtst gezegd tot stilstand is gekomen. Zijn de sociale krachten waarop de democratische rechtsstaat is gebouwd verzwakt? En zo ja, hoe komt dat en is een ommekeer denkbaar?
In dit essay begin ik het zoeken naar een antwoord op die vraag bij de vele analyses over de verzwakking van de democratie en de bestrijding van antidemocratische gedachtegoed. Ze richten zich vooral op hoe het machtsspel wordt gespeeld of op de gevreesde afbrokkeling van de rechtsstaat. Gesuggereerde oplossingen gaan dan logischerwijs over versterking van het democratisch proces of betere rechtshandhaving.
Vervolgens zal ik laten zien dat deze analyses veel waardevols bevatten, maar dat ze een fundamenteel punt veronachtzamen: de toegenomen sociale ongelijkheid in ons land. Dat wordt duidelijk uit de korte schets die laat zien hoe sinds de jaren negentig allerlei vormen van ongelijkheid sterk groeiden en hoe dat gepaard ging met een afname van de maatschappelijke steun voor de democratie. Eigenlijk is het dan toch wel verrassend dat die groeiende ongelijkheid niet net zo hoog op de politieke agenda terechtkwam als bestuurlijke schandalen zoals ‘Groningen’ en de ‘Toeslagenaffaire’. Het bleef bij voorzichtige aandacht voor armoedebestrijding. Ons politiek-bestuurlijke stelsel is kennelijk in grote mate blind geraakt voor sociale onrechtvaardigheid. Nederland is een gaaf land, aldus oud-premier Mark Rutte. Toch?
Op zoek naar een verklaring voor die moeilijk te doorbreken blindheid komen we uit bij drie narratieven die het politieke debat over economie, samenleving en staat de afgelopen decennia domineerden: het ontketende kapitalisme, de meritocratisch-competitieve samenleving en het technocratisch staatsproject met gemanagede democratie. Het zijn deze narratieven die ons het zicht op ongelijkheid ontnemen. Sterker nog, ze zijn er ook de aanjagers van. Ze zijn als waar en vanzelfsprekend gaan gelden en daardoor begrenzen ze in hoge mate de ruimte in het politieke debat om ongelijkheid te benoemen en aan te pakken. We leven in een democratie met een kuisheidsgordel om.
Tot slot zal ik betogen dat ondanks voorzichtige signalen van verminderde dominantie van de genoemde narratieven nog geen sprake is van een echte omslag waarbij sociale ongelijkheid weer hoog op de politieke agenda komt. Dat heeft gevolgen voor de bestrijding van radicaal-rechts. Want dat kan alleen de wind uit de zeilen worden genomen als het uit het lood geslagen fundament onder onze democratie – waardigheid, burgerrechten en sociaaleconomische gelijkheid – hersteld kan worden. Democratie zonder kuisheidsgordel.
Smeekbedes zonder strijdplan
De teloorgang van de democratie is al vanuit heel verschillende invalshoeken geanalyseerd. Vrijwel elke schakel in het democratisch proces en het functioneren van de overheid is inmiddels onder de loep genomen. Drie voorbeelden. Op basis van zijn scherpzinnige observaties karakteriseert journalist Tom Meeus het Haagse gebeuren als een smalle vorm van ‘aandachtpolitiek’ en ‘spektakelleegte’. Alle partijen bedrijven inmiddels politiek op basis van het axioma dat mediapolitieke ‘duidelijkheid’ boven alles gaat. Politiek bedrijven is daarin gereduceerd tot de eerstvolgende quote die een dag de boventoon voert in de media. De politieke inhoud is meestal beperkt of helemaal afwezig.[3] Een ander voorbeeld vinden we in een essay van de Italiaanse schrijver Antonio Scurati, bekend van zijn indringende literaire werken over de opkomst van Mussolini. Hij waarschuwt tegen een gemakzuchtige gelijkstelling van populisme en fascisme, ook al zijn er veel gelijkenissen, zoals het gebruik van angstvisioenen, de versimpeling van het moderne leven en het anti-parlementarisme. In zijn ogen mogen we de democratie niet voor lief nemen, maar moeten we er alledaagse strijd voor aangaan.[4] Het derde voorbeeld is de analyse van de recente verkiezingen door de politicoloog Tom van der Meer. Hij toont met argumenten aan dat politieke partijen in hun drang naar zetelwinst hun essentiële rol in het aangaan van strijd om waarden zijn gaan verwaarlozen.[5]
En zo zijn er nog veel meer verklaringen: een politiek die vooral gevolgen oplost en niet oorzaken, het publieke domein dat is overgenomen door sociale media, het ontbreken van goede vormen van plebiscitaire democratie, de overmaat aan ‘valse vrienden’ van de democratie, burgers die meegaan in de verlokkingen van illiberaliteit, en een te weinig ethisch geïnformeerd vakmanschap bij de overheid. [6] Elk van de verklaringen roept een moment van herkenbaarheid op, een kort flakkerend licht in de schemering van democratie-zorgen. Toch beklijven ze niet want, zoals journalist Jan Tromp de aanbevelingen van Meeus en Scurati kenschetste: “Het appelleert aan een mentaliteit, maar strijdplannen zijn het niet. Het zijn bedes, smeekbedes.”[7]
Net als Meeus, Scurati en van der Meer bepleiten ook de anderen verandering in de schakels van ons democratische systeem. De gemeenschappelijke noemer is dat iedereen zich beter moet gaan gedragen: politieke partijen, politici, journalisten en media, ambtenaren en niet in de laatste plaats burgers. Ze moeten anders met sociale media omgaan, waardenstrijd voeren, illiberaal gedachtengoed aan de kaak stellen, burgerfora opzetten. Vaak zinvolle voorstellen, maar ook hier kunnen we ons met Tromp afvragen waarom ze vooral aanvoelen als morele oproep, als smeekbede zonder strijdplan. Waarom gaat het zo vaak over de vorm en zo weinig over de inhoud?
Daar krijgen we zicht op aan de hand van een voorbeeld dat Tom Meeus geeft. Want zijn analyse wordt nog interessanter als hij Den Haag verlaat en vertelt over de regelmatige bezoeken die hij brengt aan de Schilderswijk in Woerden om te horen hoe mensen daar over actuele politiek denken. Een groter contrast met de Haagse zelfingenomenheid is nauwelijks mogelijk. Wat blijkt: politiek houdt mensen zelden bezig. Politiek en media staan ver van hun leefwereld. Het zijn parallelle werelden. Neem nou het conflict over de fusie van het lokale ziekenhuis. Logisch beleid vanuit Den Haag gezien, maar als blijkt dat ook huisartsenpost en spoedeisende hulp zullen verdwijnen, roeren de Woerdenaren zich. Vergeefs. Meeus tekent op: “Gewone mensen, zegt ze (een oudere Molukse dame), ervaren voortdurend dat je als eenling niet belangrijk genoeg meer bent voor grote bedrijven en instellingen in hun kantoortorens. (…) Mensen die ik spreek zijn er gelaten over, wrokkig soms. Dit is jarenlang hun actualiteit geweest, maar ’s avonds op televisie zien zij een heel andere actualiteit. Over opstootjes en andere conflictstof die veel vertelt over politici maar weinig betekenis voor hen heeft.”[8]
Waar komen die parallelle werelden vandaan? Hoe kon het dat voor de inwoners van Woerden belangrijke maatschappelijke vragen over de ziekenhuisfusie niet meer gehoord konden worden? Vragen – rakend aan de hierboven benoemde kernwaarden van de democratische rechtsstaat – zoals: op wiens levensomstandigheden zou de sluiting van spoedeisende hulp het meeste effect hebben? Wie kan wel of niet snel en zonder extra kosten vervoer naar een andere stad regelen bij spoedeisende hulp? Wie kan haar stem wel laten horen in de politieke discussie en wie beschikt daartoe niet over de benodigde hulpbronnen.
Dat heeft alles te maken met hoe een kwestie in de politiek wordt omschreven. Want dat is vaak al beslissend voor de uitkomst van het debat. Zo zien we in Woerden dat vanaf het begin het verzet gelabeld werd als weerstand tegen verstandige, want bedrijfsmatig efficiënte, schaalvergroting. Niet als een begrijpelijk belang van een kwetsbare groep om het maatschappelijk weefsel van zorg dichtbij in stand te houden. Bovendien werd ervan uitgegaan dat burgers zelfredzaam zijn en zelf wel oplossingen zouden kunnen bedenken voor de effecten van de sluiting. Door bijvoorbeeld onderling vervoer te regelen naar de nu verder weg liggende spoedeisende hulp. En tenslotte werd verondersteld dat een volgens de spelregels verlopen besluitvorming met goed georganiseerde inspraak zou leiden tot een afgewogen besluit. Quod non. Het proces van besluitvorming verliep weliswaar keurig, maar inhoudelijk voldeed het besluit niet voor de gemeenschap die het raakte. En zo leidde wat als een ‘verstandige’ beslissing begon tot het bevestigen van maatschappelijke ongelijkheid: wij zijn niet belangrijk genoeg meer.
De issuedefinitie laat zien dat er drie uitgangspunten zijn die het aan de orde stellen van sociale ongelijkheid in de belangenafweging verhinderen: een nadruk op bedrijfseconomische efficiëntie, een vanzelfsprekend vertrouwen in zelfredzaamheid van burgers in het opvangen van de effecten van het beleid en het voldoen aan participatiespelregels stellen boven de inhoudelijke afweging. Logisch dat Meeus vervolgens een gebrek aan maatschappelijke acceptatie optekent, want democratie wordt ervaren als niet aansluitend op de leefwereld van de Woerdenaren. Dat gebrek valt niet op te lossen door gedragsverbetering in de schakels van het democratisch proces zoals veel analyses bepleiten. Zelfs perfecte spelregels geven de politiek nog geen andere inhoud of betekenis voor de mensen om wie het gaat.
Het voorbeeld van de Woerdense ziekenhuisfusie staat niet op zichzelf. Denk maar aan de verplaatsing van de spoedeisende hulp van het Zuyderland ziekenhuis van Heerlen naar Sittard-Geleen. Ook al kreeg die ruimschoots aandacht in politiek Den Haag, we zien vergelijkbare argumenten die uiteindelijk in het nadeel uitpakken van de inwoners van Heerlen. Of denk aan de manier waarop de gezondheidsbelangen van de bewoners rondom Tata Steel jarenlang niet doordrongen tot de politiek. Het zijn allemaal symptomen van een veel breder scala aan sociale spanningen, die politiek geen vertaling krijgen. Terwijl daarvoor in potentie wel de krachten aanwezig zijn, aldus Meeus, in ‘een sluimerend verlangen naar saamhorigheid’.
Die spanningen zijn, zoals ik hierna zal schetsen, het gevolg van een forse groei van sociale ongelijkheid in ons land. Dat is begonnen met de afbraak van het Keynesiaanse maatschappelijk compromis van de verzorgingsstaat in de jaren negentig van de vorige eeuw en de daaropvolgende opkomst van de BV Nederland, zoals SER-voorzitter Kim Putters ons huidige bestel treffend typeert.[9] Steeds zien we hetzelfde onvermogen om de maatschappelijke belangenafweging anders te laten uitvallen. Zelfs waar een meerderheid van de Tweede Kamer tegen verplaatsing was, zoals in Heerlen. Hoe kan het toch dat de politiek daartoe niet in staat is? Welke politieke en maatschappelijke narratieven verhinderen het aan de orde stellen van sociale ongelijkheid, net zoals in Woerden, Heerlen en IJmuiden? Maar eerst de ongelijkheid.
Sociale ongelijkheid is terug
Voormalig minister-president Mark Rutte had natuurlijk niet helemaal ongelijk als hij weer eens riep dat Nederland een gaaf land was. Want ons land scoort hoog in internationale vergelijkingen en behoort steevast tot de tien rijkste landen ter wereld. De inkomensongelijkheid in Nederland is relatief gematigd vergeleken met andere landen (overigens geldt dat niet voor de vermogensongelijkheid). Hoe kunnen we dan toch spreken van toenemende sociale ongelijkheid?
Mechanismen en keuzes
Daarvoor is het goed eerst stil te staan bij de fundamentele vraag waar sociale (on)gelijkheid eigenlijk over gaat Het gaat niet alleen om inkomensongelijkheid maar, in de woorden van Nobelprijswinnaar Amartya Sen, om de mogelijkheid om volledig als mens te functioneren. In de uitwerking van zijn benadering door hemzelf en de filosofe Martha Nussbaum gaat het om vereisten als: kunnen overleven, gezondheid (en hulp bij handicaps), vrijheid en kennis (onderwijs) om het eigen levenspad te kiezen, hulpbronnen (zoals inkomen en sociaal netwerk) om dat na te streven. Pas als je over deze mogelijkheden beschikt, kun je in vrijheid een waardig leven leiden. En daarom vormt deze maatstaf het uitgangspunt voor de Human Development Index van de Verenigde Naties.[10]
Een praktische manier om naar de verdeling van deze mogelijkheden te kijken vinden we bij de Zweedse socioloog Therborn met zijn driedeling van sociale ongelijkheid. Om te beginnen is er vitale ongelijkheid, die betrekking heeft op de sociaal geconstrueerde levenskansen van menselijke organismes. Denk daarbij aan levensverwachting, gezonde levensjaren, kindersterfte, honger en ondervoeding. Vervolgens existentiële ongelijkheid, de ongelijke allocatie van persoonlijke individualiteit zoals autonomie, waardigheid, vrijheidsgraden, recht op respect en eigen ontwikkeling. En tenslotte hulpbronongelijkheid, die menselijke actoren van ongelijke hulpbronnen om te handelen voorziet.[11]
Dat de ontwikkeling van deze vormen van sociale ongelijkheid geen natuurverschijnsel is, wordt duidelijk als we kijken naar de sociaaleconomische mechanismes en politieke keuzes die eraan ten grondslag liggen. Therborn onderscheidt een viertal mechanismes die ongelijkheid produceren, een combinatie van systemische arrangementen en processen enerzijds en distributieve (dus politiek beïnvloedbare!) sociale acties zoals inkomensherverdeling anderzijds.
Het eerste mechanisme is afstandsvergroting. Dat zie je bijvoorbeeld als A gaat voorlopen op B doordat zijn ouders meer hulp kunnen bieden, of omdat B nieuwe mogelijkheden over het hoofd ziet. Of als je terecht komt in een sociaal netwerk dat stijgend is. Er is geen interactie tussen A en B nodig om het verschil te vergroten. Het tweede, dat wel interactie vereist, is uitbuiting. De een heeft voordeel aan de waarde die de ander aan hem/haar levert. Een voorbeeld daarvan is moderne uitbuiting op het werk. Uitsluiting is een derde mechanisme, in de vorm van onder meer discriminatie of glazen plafonds. En tenslotte hiërarchisering in de vorm van organisatie van het werk, of het als waardevoller aanmerken van een bepaalde leefstijl boven een andere. Elk mechanisme kent ook zijn tegenpool: toenadering, rehabilitatie, inclusie en horizontalisering.[12]
De rol van distributieve actie, en daarmee van politieke keuzes, kunnen we illustreren aan het bekende voorbeeld van inkomensherverdeling. Als we bijvoorbeeld in OECD landen op basis van de Gini-coëfficiënt marktuitkomsten en reëel beschikbaar inkomen vergelijken zien we dat de herverdeling via belastingen en transfers soms wel 40% bedraagt (in Zweden) via 31% (in Duitsland) tot slechts 18% (in de VS).[13] (On)gelijkheid wordt dus sterk beïnvloed door politieke keuzes. Ook al heeft Thomas Piketty laten zien dat de inkomens- en vermogensongelijkheid inmiddels weer groeiende is, de beleidsmechanismes werken nog steeds.[14] En niet alleen op inkomensterrein maar op allerlei gebieden van overheidsingrijpen, zoals onderwijs, rechtsbescherming, cultuur, etc.
Ongelijkheid benoemd
Met de hiervoor beschreven vormen van sociale ongelijkheid en de onderliggende mechanismes in het achterhoofd kunnen we nu een paar belangrijke karaktertrekken van de groeiende ongelijkheid in Nederland schetsen.
De eerste die we zien is de forse vitale ongelijkheid tussen groepen in onze samenleving op het vlak van gezondheid. Een goede gezondheid is van basaal belang voor de levenskansen van mensen. Vooral de sociaaleconomische status heeft hierop een grote invloed. Volgens het CBS was in 2020 de levensverwachting in goede gezondheid bij geboorte van de meest welvarende vrouwen 23 jaar hoger dan van de minst welvarende vrouwen. Bij mannen was dit 25 jaar.[15] En hoe lager iemands sociaaleconomische status hoe groter de kans op ziekte.[16] Soms is dat een effect van toegang tot zorg en is daar een mechanisme van uitsluiting aan het werk, omdat mensen bijvoorbeeld de weg naar de huisarts niet kunnen of durven vinden. In andere gevallen gaat het om leefstijlverschillen, bewerkstelligd door hiërarchisering. De vitale ongelijkheid rondom gezondheid bestaat al decennia en wordt kennelijk steeds opnieuw gereproduceerd, want een recent rapport van de WRR constateert: “Toch heeft veertig jaar beleid de verschillen vooralsnog niet doen afnemen”.[17] In andere landen zoals Japan was dat overigens wel mogelijk.[18] Kennelijk zijn de corrigerende mechanismes en beleidskeuzes onvoldoende in staat de Nederlandse gezondheidsongelijkheid tegen te gaan.
Werk hebben betekent inkomen en sociale contacten verkrijgen, beide belangrijke hulpbronnen. Ook op dit gebied zien we een pregnant voorbeeld van bestaande en groeiende ongelijkheid. Zo is er sprake van een flinke afname van werkzekerheid, de mate waarin mensen er zeker van kunnen zijn dat ze kunnen overstappen naar een volgende baan. Tussen 1980 en 2015 is die werkzekerheid mede door de groei van tijdelijke banen en zzp’ers met 27 procent afgenomen.[19] Daarnaast is hier een uitsluitingsmechanisme werkzaam tussen mensen met verschillende soorten contracten. Mensen met een vast contract krijgen bij overstap meestal direct weer een vast contract, terwijl degenen met een flexibel arbeidscontract in drie van de vier gevallen weer een flexibel contract krijgen. Hier bovenop is in de afgelopen jaren de verantwoordelijkheid voor het kunnen overstappen, door het ontwikkelen van meer en nieuwe vaardigheden, in heel sterke mate bij de werkenden gelegd: je moet voor je eigen employability zorgen, een vorm van hiërarchisering. Of je daarbij steun krijgt van je werkgever of van de overheid verschilt sterk. Dat is dan weer een maatschappelijke (onderhandeling tussen werkgevers en vakbonden) of politieke keuze, en leidt tot een vorm van hulpbronongelijkheid. Door de afgenomen werkzekerheid en bijkomende eis van employability groeit ook de existentiële ongelijkheid, want als je wordt gezien als iemand die onvoldoende mee kan komen in vergelijking met anderen verlies je daardoor aan respect.
Zoals gezegd staan we bekend als een land met een relatief lage inkomensongelijkheid. Dat neemt niet weg dat in de afgelopen jaren de inkomenszekerheid van de bevolking boven de 18 jaar door de vermindering van de sociale zekerheid tussen 1980 en 2015 met 34 procent is afgenomen.[20] Als gevolg daarvan constateert het Nibud dat, naast de sterk gegroeide groep armen, een substantieel deel van de Nederlandse bevolking moeite heeft om rond te komen: 34 procent in 2021, ofwel 2,7 miljoen huishoudens. Zij zijn kwetsbaar voor inflatie en voor snelle wijzigingen in de economie. De hulpbronongelijkheid neemt zo toe voor deze groep. Tegelijk is het ook toename van vitale ongelijkheid, omdat de levenskansen van mensen afnemen. Zo is het aantal werkende armen in ons land tussen 1990 en 2013 gestegen tot het hoogste niveau in 25 jaar: 4,6 procent van de werkenden in 2014. Later onderzoek laat zien dat deze ontwikkeling nog niet is gekeerd.[21] Daarnaast kent Nederland een aanzienlijke vermogensongelijkheid, waarbij de bovenste één procent ruim een kwart van alle vermogens bezit.[22] In lijn met de studies van Thomas Piketty zien we dat de vermogensongelijkheid sinds de jaren tachtig ook in Nederland weer toeneemt.[23]
De groei van armoede en het moeilijker kunnen rondkomen zijn de consequentie van politieke keuzes rondom belastingen, inkomensbeleid en sociale zekerheid. Bij mensen in armoede wordt hieraan dan ook nog een discriminerend moreel vertoog verbonden dat de arme zelf verantwoordelijk houdt voor het niet kunnen ontsnappen aan de armoedeval, een vorm van hiërarchisering. Tim ’S Jongers heeft dat in zijn boek Armoede uitgelegd aan mensen met geld helder beargumenteerd.[24] Armoede is niet alleen een gebrek aan de hulpbron geld, maar ook een gecreëerde vorm van existentiële ongelijkheid: een fatsoenlijk leven wordt ze moeilijk gemaakt. Hetzelfde geldt voor de grote groep mensen die moeilijk kunnen rondkomen. Hun inkomen is ontoereikend is om met vertrouwen stappen in het leven te kunnen zetten, en zo wordt hulpbronongelijkheid tot existentiële.
In het sociaaljuridische domein valt de ongelijkheid in toegang tot, bescherming door en gebruik van de rechtsstaat door de burgers op. Het Toeslagenschandaal trof vooral mensen met een kwetsbare sociaaleconomische positie, waarbij ook discriminatie een rol speelde en in Groningen werden burgers genegeerd. Al enkele kabinetten lang werd de toegang tot de rechtsbijstand via de sociale advocatuur werd beperkt. Het recente rapport van de Staatscommissie Rechtsstaat laat zien dat een forse groep mensen onder het bestaansminimum leeft omdat ze geen beroep (durven te) doen op inkomensregelingen. Het niet-gebruik in de algemene bijstand wordt in 2018 geschat op gemiddeld 35 procent. Bij personen die volledig afhankelijk zijn van de bijstand is dat 15 procent, bij degenen die grotendeels daarvan afhankelijk zijn, is het niet-gebruik 68 procent.[25] De slecht georganiseerde rechtsbescherming leidt zo evident tot hulpbron- en existentiële ongelijkheid van een groeiende groep mensen in kwetsbare posities. Mensen zijn zelfs bang voor contact met de overheid, zo constateren diverse onderzoeken.
Tot slot zien we tegenwoordig ook nieuwe vormen van sociale ongelijkheid optreden. Bijvoorbeeld cognitieve stratificatie als gevolg van streven naar meritocratie en groeiende onderwijsdeelname. Mensen kiezen daarbij vaker voor een levenspartner met hetzelfde opleidingsniveau, een voorbeeld van het mechanisme van afstandsvergroting. Het wordt ondersteund door hiërarchisering in de vorm van een sterkere selectie in de richting van een cognitieve elite. Denk aan honours programs en elitescholen, zoals de talloze MBA-opleidingen die toegang bieden tot goed betaalde banen in het bedrijfsleven, maar ook aan betaalde bijlessen en andere vormen van extra schaduwonderwijs.[26] Een andere meer recente ongelijkheid is het steeds belangrijker worden van esthetische ongelijkheid, onderscheid op basis van uiterlijke en innerlijke kenmerken, fysieke, sociale en psychologische.[27] Meestal denken we daarbij aan de toegenomen inzet van esthetische chirurgie om de angst er niet bij te horen te verminderen of de kansen op de huwelijksmarkt te vergroten. Maar de mechanismen van uitsluiting en hiërarchisering werken hier ook via de arbeidsmarkt, waar het belangrijk is om ‘er goed uitzien’, in de horeca zeker, maar ook in de advocatuur en niet te vergeten de politiek. Er goed uitzien werkt ook door in de keuze van levenspartners.
Erosie van democratie en rechtsstaat
De groei van vitale, existentiële en hulpbronongelijkheid wordt bevestigd in het rapport Eigentijdse Ongelijkheid van het Sociaal en Cultureel Planbureau. De groei van sociale ongelijkheid houdt al langer aan en is hardnekkig. En daardoor zet ze zich vast in een nieuwe klassenstructuur van zeven onderscheiden klassen. Die nieuwe structuur drijft groepen uit elkaar en maakt dat ze elkaar moeilijker kunnen vinden. De sociale cohesie wordt minder en dat zien we terug in scherpe verschillen in het welbevinden van mensen, hoe ze de saamhorigheid in de samenleving ervaren en hoe ze tegen politiek en overheid aankijken.[28]
Onzekere werkenden en het precariaat, de twee groepen die zichzelf het laagst op de maatschappelijke ladder plaatsen, zijn duidelijk minder tevreden met hun leven en ervaren hun positie als achtergesteld. De structurele ongelijkheid heeft ook invloed op de maatschappelijke cohesie die mensen ervaren, uitgedrukt in de stelling of het ‘duidelijk de verkeerde kant opgaat’ met Nederland. Is de ervaren cohesie bij de werkende bovenlaag en de jonge kansrijken hoog (slechts 3-5% ondersteunt de stelling), bij de onderste drie klassen gaat het percentage dat de stelling ondersteunt naar 20-34% en dat zijn forse groepen.
Even belangrijk, in het kader van dit essay, is dat de legitimiteit van politiek en bestuur bij alle klassen onderhevig is aan erosie, maar het sterkst bij de lagere klassen. Is het bij de bovenste klassen al een kwart van de mensen dat vindt dat de overheid te weinig voor hen doet, bij de drie klassen aan de onderkant van de samenleving stijgt dat percentage tot boven de 50%. Het is een bevestiging van wat Tom-Jan Meeus te horen kregen in de Woerdense Schilderswijk: we worden niet gezien en gehoord.
Hoe kon het gebeuren dat de hardnekkige ongelijkheid onder de oppervlakte bleef, terwijl er toch al meer dan een decennium ruim voldoende tekenen van groei waren? Misschien staat daarvoor wel de vrijwel over de hele breedte van de Nederlandse politiek geaccepteerde metafoor van het gave Nederland symbool. Ongelijkheid wordt er systematisch in vergoelijkt als een onvermijdelijk maar gelukkig slechts tijdelijk bijproduct van een noodzakelijke ontwikkeling: eigenlijk gaat alles goed, en ja natuurlijk zijn er nog kleine oneffenheden, maar die lossen we wel op.
Als we goed kijken, ontwaren we achter de metafoor de drie onderdelen van de issuedefinitie bij de kwestie van het Woerdense ziekenhuis: economische efficiëntie, eigen verantwoordelijkheid van de burger en goed verlopen inspraakprocessen. Die komen voort uit drie grote politieke narratieven die in de voorbije decennia de ‘noodzakelijke ontwikkeling’ legitimeerden: ontketend kapitalisme, meritocratisch-competitieve samenleving en een goed managede democratie. In feite de visie waarover Mark Rutte het nooit wilde hebben. Door de ontwikkeling als noodzakelijk te benoemen, maakten deze narratieven ongelijkheid onzichtbaar en acceptabel, terwijl ze er tegelijk de drijvende krachten achter waren. En door hun dominantie beperkten ze de spanwijdte van het democratisch debat over alternatieven. Laten we kijken hoe ze opgebouwd zijn.
Ontketend kapitalisme
Het eerste dominante narratief heeft betrekking op de komst van nieuwe parameters voor de politieke economie. Dat begon in de jaren tachtig en negentig van de vorige eeuw met de Reagan-Thatcher revolutie en werd vervolgens voortgezet onder Clinton en Blair.[29] Nieuwe technologie, globalisering van de wereldhandel en aanbodgerichte nationale politiek-economische arrangementen creëerden de ruimte voor een nieuwe en veel krachtiger kapitalistische dynamiek, met nadruk op de commerciële dienstverlening.[30] Het nieuwe politiek-economische kader werd in een aantal zich telkens verdiepende etappes door achtereenvolgende kabinetten tot stand gebracht, zoals Naomi Woltring in haar schitterende recente boek De marktconforme verzorgingsstaat laat zien.[31] Het omvatte de onderwerping van de overheidsfinanciën aan een permanente bezuinigingspolitiek via scherpe budgettaire normen (de Zalm-norm), het centraal stellen van de aanbodzijde van de markt via versterking van marktwerking, deregulering en privatiseringen en de flexibilisering van arbeidsmarkt. De inkomensbescherming op de arbeidsmarkt werd sterk verminderd en pensioenen hervormd. In het onderwijs kwam het aanleren van vaardigheden, vaker gericht op diensten en informatietechnologie, centraal te staan. Innovatie werd een sleutelbegrip, en hoger onderwijs en bedrijfsleven concentreerden hun inspanningen erop om deze te faciliteren: de kenniseconomie. Ondernemerschap en innovatie kregen een onwrikbaar hoog aanzien. De zzp‑er werd regelmatig als toppunt van de moderne marktcultuur ten voorbeeld gesteld aan alle werknemers. Nederland werd de eerste deeltijdeconomie ter wereld, met het anderhalfverdienersmodel (mannen werken voltijds, vrouwen deeltijds) op huishoudniveau als sociaal ankerpunt.[32]
Het is deze politiek-economische revolutie die al een aantal decennia achter elkaar voor een ongekende dynamiek zorgt. In de economische sturing kwamen de markt en het perspectief van de aandeelhouder centraal te staan. In de politiek werd de markt gezien als de beste of zelfs de enige manier om maatschappelijk zaken op te lossen. Alleen als de markt er niet uitkwam, kon de overheid eventueel ingrijpen, maar haar primaire taak was de markt te faciliteren. En dat gold niet alleen klassieke economische gebieden als de industrie- en dienstensector, maar ook sociale sectoren als zorg, welzijn en maatschappelijke voorzieningen. In dit narratief ziet de hele samenleving er uit als één grote potentiële markt, een platte wereld om de woorden van de Amerikaanse journalist Thomas Friedman over de geglobaliseerde wereld te parafraseren.[33] Bij de centrale rol van aandeelhouders moeten we overigens allang niet meer denken aan de klassieke leidende klasse met dikke sigaar. Tegenwoordig wordt het kapitalisme bestuurd door een grote en veelzijdige groep assetmanagers die investeringsbeslissingen neemt en ondernemingen stuurt op basis van financiële indicatoren.[34] Daarbij is de financiële sector inmiddels zo enorm gegroeid, dat we spreken van financialisering van de economie, ‘waarbij de financiële sector steeds minder dienend is aan activiteiten in de reële economie, maar deze in toenemende mate domineert en gebruikt voor eigen gewin’. Met negatieve maatschappelijke gevolgen, zoals het vergroten van vermogensongelijkheid, bijvoorbeeld tussen bezitters en starters op de huizenmarkt.[35]
Naast marktgerichtheid en financialisering zien we een tweede grote ontwikkeling, die van een uitgebreide dienstensector in samenhang met datakapitalisme. Dit moderne datakapitalisme is gebouwd op de verzameling van data over onze menselijke ervaringen en de diepgaande effecten die via deze dataïsering wordt uitgeoefend op het maatschappelijk leven. “A new economic order that claims human experience as free raw material for hidden commercial practices of extraction, prediction, and sales”, aldus Suzanna Zuboff in haar bestseller The Age of Surveillance Capitalism.[36] Hoewel de EU met de European Media Freedom Act onder groot verzet van de Meta, X, Google, Microsoft en Amazon een eerste bescheiden stap richting regulering heeft gezet, is de vrijheid van de internet- en sociale media-molochs nog steeds ongekend en daarmee van grote impact op ons vermogen om als samenleving democratisch onze toekomst vorm te geven. En nieuwe vraagstukken hebben zich met de komst van artificiële intelligentie al met grote urgentie aangediend, zoals de vervanging door robots of de macht van AI om ons hele leven te bepalen.[37]
Het narratief van het ontkende kapitalisme is zo overheersend dat het ondanks diverse crises, zoals de wereldwijde financiële crisis (2007), de Europese schuldencrisis (2010-2012) en meest recent de Covid19-crisis (2020-2023), maar zelden ter discussie wordt gesteld terwijl het toch grote impact heeft op samenleving en democratie. Een voorbeeld kan dat verduidelijken. In het debat over migratie in Nederland wordt maar zelden benoemd dat immigratie van binnen of buiten de EU primair een gevolg is van de investeringskeuzes en bijbehorende behoefte aan personeel van ondernemingen.[38] Denk aan relatief laaggeschoolde arbeid in de (glas)tuinbouw (Westland, Venlo), de voedingsindustrie (slachterijen) en de distributiesector, maar ook aan kennisintensieve ICT-sector in Amsterdam (Booking.com) en Eindhoven (ASML). De neiging van veel analyses is om de negatieve gevolgen van deze migratie als iets onvermijdelijks te zien. Als het gevolg van economische dynamiek of structuur van de arbeidsmarkt. De oplossing van de onbedoelde neveneffecten, zoals gebrek aan huisvesting, wordt zonder blikken of blozen op het bord van de overheid gelegd en niet, zoals toch logisch zou zijn, op dat van de ondernemingen die daarover beslissingen nemen.[39] Waarom zouden zij de rekening van externe effecten niet gepresenteerd krijgen of verantwoordelijk worden gesteld voor de oplossing ervan? In de politieke discussie over de asielcrisis bleef arbeidsmigratie helemaal buiten beschouwing.
In dit narratief veroverden niet-gouvernementele organisaties een stevige positie omdat verondersteld werd dat zij de vrije markt krachtig konden bijsturen en van een moreel kader voorzien. Vanaf de jaren negentig groeide nationaal en internationaal de omvang van ngo’s enorm. Samen met de VN-instellingen ontstond zo een sterk internationaal gouvernementeel circuit. Ngo’s waren zelfs zo succesvol, dat ook bedrijven hun eigen ngo’s oprichtten. Zowel de internationale instellingen als de ngo’s bleven echter werken binnen de parameters van de institutionele status quo: armoede was bespreekbaar, maar het fundamenteel tegengaan van ongelijkheid niet.[40] Tot nu toe heeft ook de opkomst van ‘maatschappelijke verantwoord ondernemen’ dat tij niet kunnen keren. Het effect is omvangrijk – geen onderneming kan zonder mvo-beleid – maar tegelijk beperkt: de lange termijneffecten op investeringsbeslissingen zijn nog weinig tastbaar of worden weer teruggedraaid zodra de beurs en aandeelhouders zich roeren, denk aan de recente koerswijzigingen van Shell en Unilever. Bovendien wordt er terecht de vraag gesteld of juist het weghalen van in essentie politieke keuzes en die overlaten aan bedrijven en hun stakeholders niet de ruimte voor democratisch-politieke afwegingen inperkt.[41]
Investeren, efficiëntie, groei, technologische innovatie via een vrije markt zijn de dominante motieven in het narratief van het ontketende kapitalisme. Vragen over welke investeringen, welke efficiëntie, welke groei, welke technologische innovatie worden er niet vooraf maar alleen achteraf in gesteld. En de overheid heeft vooral een faciliterende en wellicht wat bijsturende rol. Verantwoordelijkheid was bespreekbaar, maar grenzen stellen aan de vrije markt of het fundamenteel spreken over de richting van het ontketende kapitalisme niet. Het verwijst naar een ingrijpend gevolg van dit narratief voor het democratisch debat, namelijk dat de effecten van het ontkende aandeelhouders- en datakapitalisme en de impact die dat op de samenleving heeft in de vorm van sociale ongelijkheid steeds weer onderaan de agenda komen te staan.[42]
Meritocratische competitie
Het tweede narratief dat dominant is geworden is dat we onze samenleving moeten inrichten naar een meritocratisch-competitief model, waarin elk mens “de ondernemer van zichzelf’ is, de zzp’er in optima forma die zijn eigen kapitaal is en zichzelf uitnut. Een lichtend voorbeeld noemt de Weense journalist en columnist Isolde Charim deze mens in haar boek Narcisme: “Als ideaal is hij zowel een model waarop mensen hun gedrag afstemmen als een eis: ondernemend handelen! Run je leven als een onderneming! Wees onafhankelijk, verantwoordelijk, neem initiatief!”[43] We zien dat mensbeeld terug in het onderwijs, waar het streven naar het hoogst mogelijke niveau centraal staat en waar je zelf verantwoordelijk bent voor je studieloopbaan en de daarvoor noodzakelijke investeringen (studieleningen). Maar ook op de arbeidsmarkt en in organisaties, waar je zelf verantwoordelijk bent voor je ‘employability’, voor het investeren in je opleiding en de overstap naar een andere baan in de kenniseconomie. Een van de vormen waarin het gegoten werd, is de inmiddels geprivatiseerde markt voor na- en bijscholing na de hoger onderwijs of beroepsopleiding. Denk maar aan de talloze opleidingen, coachtrajecten en trainingen die op de private markt worden aangeboden. Maar ook op het terrein van sociale zekerheid en arbeidsmarktvoorzieningen kreeg dit denken vorm.
Naast het bezit van de eigen talenten en investeringen in opleiding is sociaal gezien het eigen huis een andere onderdeel dat bij dit mensbeeld past. Waar voorheen de woningcorporatie collectief zorgde voor de hulpbron ‘wonen’ en daarmee ook een bijdrage leverde aan het verminderen van de hulpbron- en existentiële ongelijkheid is dit inmiddels vervangen door het ideaal van de eigen woning als thuishaven voor familie- en gezin. Wie huurt is eigenlijk een loser.
Het meritocratisch-competitieve narratief heeft over de volle breedte het vroegere solidaire ideaal van de verzorgingsstaat en de zorgzame samenleving vervangen. Daar was de zorg voor de toekomst, die van jezelf en van je sociale netwerken, een gemeenschappelijke opgave, waarvoor collectieve instituties waren opgetuigd en sociale verbanden in het maatschappelijk middenveld aangelegd. Nu is die zorg voor de toekomst in handen gelegd van jou als zelfstandige, als ondernemer, waar nodig als ondernemers in gezinsverband. In de verzorgingsstaat waren onderwijs en het belasting- en sociale zekerheidssysteem de integrerende mechanismes voor midden- en lagere klassen. Nu moeten deze sociaaleconomische klassen het zelf maar uitzoeken. In Nederland kwam de ‘participatiemaatschappij’ symbool te staan voor dit narratief. Daarin staat verrassend genoeg niet de zorg centraal hoe iedereen kan meedoen, maar de nogal dwingende oproep tot zelfredzaamheid van de burger, die eigen verantwoordelijkheid moet nemen en minder mag verwachten van de overheid. Over de hele linie is een norm van commercialisme ingevoerd, of door rechtstreekse privatisering of door aanbesteding of interne marktwerking bij door de overheid gefinancierde voorzieningen. “Je moet het zelf uitzoeken!” is de kern van dit narratief, dat de geconstateerde toename van hulpbron- en existentiële ongelijkheid legitimeert en door zijn nadruk op eigen verantwoordelijkheid en onderlinge competitie ook aanjaagt.
Competitie en de voortdurende druk om het beter te doen zijn hét gemeenschappelijke element van het sociale leven van bijna alle klassen in de nieuwe klassenstructuur van het SCP. Daarin spreken we niet meer van één middenklasse, maar van een divers geheel aan middenklassen, elk met hun gedeeltelijk eigen cultuur en gewoontes. De oude zelfstandigen zoals kleine ondernemers en boeren zijn in aantal gedaald, daarnaast is de nieuwe klasse van zelfstandigen opgekomen. De categorie van kantoorwerkers is evenzeer ingrijpend veranderd, met name door automatisering. Al dan niet zelfstandige professionals zijn onderworpen geraakt aan het managementregime, hun eigen professionele standaarden onderworpen aan voortdurende monitoring en evaluatie, met een basis van wantrouwen in hun professionele standaarden en ethiek. De verbindende factor van sociale mobiliteit is daarbij niet langer zoals vroeger om je maatschappelijk te ontwikkelen en een goed leven te leiden, maar staat nu volledig in het teken van bij te blijven en je aan te passen aan de eisen van de nieuwe economie en het sociale leven waarin je voor jezelf zorgt. Met altijd een zekere angst om te vallen.[44]
We zien de effecten van die nieuwe competitieve sociale realiteit terug op het terrein van de mentale gezondheid. Zo heeft baanonzekerheid negatieve effecten op de mentale gezondheid, met fysieke klachten en lagere prestaties tot gevolg. Met name bij jongeren, studenten en jongvolwassenen is hiervan sprake. In de wereld van werk kun je zelfs spreken van een stressepidemie, gevoed door werkdruk, stress en burn-outklachten. Veel (jonge) werknemers geven aan dat ze het liefst op zoek willen naar een andere baan.[45]
Natuurlijk zijn er wel tegenbewegingen. Enerzijds zien we dat de vakbeweging in het eerste kwart van deze eeuw actiever is geweest dan ooit. Meer stakingen, zoals in de schoonmaak, voor zwaar werk. Ze toonde een grotere veerkracht dan voor de eeuwwisseling. En het vertrouwen in de vakbeweging is met 70% van de Nederlandse bevolking veel groter dan dat in ondernemingen, regering en Tweede Kamer.[46] Anderzijds zien we de opkomst van een brede beweging van nieuwe gemeenschappen in de buurt of voor energie, met vaak coöperatieve trekken, ook al is deze gezien de grote verschillen in activiteiten en doelen lastig op één noemer te brengen.[47]
In het meritocratisch-competitieve narratief is het ieder voor zich. Verschillende groepen gaan met elkaar wedijveren om hulpbronnen en om financiële, sociale of morele steun. Ze komen daardoor gemakkelijker tegenover elkaar te staan of worden zo je wilt tegen elkaar uitgespeeld. Het belang van mensen met een eigen huis of een flinke pensioenclaim verschilt van starters op de woningmarkt en huurders. Dat van werknemers van door private equity opgekochte bedrijven van dat van de gebruikers ervan (denk aan het failliet gaan van de Co-Med-praktijken).[48] Aanspraken op steun van de overheid via voorzieningen voor zorg, onderwijs, cultuur worden tegenover elkaar geplaatst. Groepen worden langs culturele lijnen tegen elkaar uitgespeeld zoals bij het debat over asiel en migratie.[49] Het vinden van een gemeenschappelijke noemer is er veel ingewikkelder door geworden en wordt vaak als een zero-sum-game gezien. In het democratisch debat werkt het meritocratische narratief zo vooral als splijtzwam.
Technocratie en gemanagede democratie
Het derde narratief dat dominant is in het politieke debat heeft betrekking op de rol van de overheid en burgerparticipatie in onze samenleving. De roep om invoering van het nieuwe ontketende kapitalisme viel samen met een roep om een ingrijpende reorganisatie van de rol en functie van de staat in ons land. We kunnen dit narratief met de historicus Charles Maier in zijn schitterende analyse The Project State and Its Rivals een heus staatsproject noemen. Een staatsproject met een ambitieuze agenda om politieke instituties, de burgermaatschappij en zelfs mentaliteiten te transformeren.[50]
In het nieuwe narratief werd om te beginnen fundamenteel afscheid genomen van de sturende rol van de overheid in de economie naar keynesiaans recept. Niet langer was economische sturing een manier om maatschappelijk overeengekomen doelen te realiseren. Voortaan moest de staat alleen nog het concurrentievermogen van de economie bevorderen en de markt faciliteren (en liefst zo weinig mogelijk reguleren of beperken). Daarnaast moest de overheid niet langer zelf voor uitgebreide sociale zekerheid en voorzieningen zorgen, maar slechts een basisniveau garanderen. En tenslotte moest de overheid zich richten op een aantal kerntaken, zoals justitie, onderwijs, infrastructuur en defensie. In Nederland kwam het nieuwe overheidsbeleid samen in de operatie Marktwerking, Deregulering en Wetgevingskwaliteit (MDW). Met vier centrale kerngedachtes: het introduceren en versterken van marktwerking om de internationale concurrentiepositie te versterken, de rol van de overheid was het creëren van een marktordening met gelijk speelveld voor marktpartijen, een sterke staat met herstel van het publieke handelingsvermogen en het aan banden leggen van belangengroepen, en tenslotte marktwerking als een ‘neutrale’ manier om publieke belangen te waarborgen.[51] Later werden de sociale zekerheid, langdurige zorg en jeugdzorg gereorganiseerd. Niet langer golden de kernelementen van de keynesiaanse welvaartsstaat als het bevorderen van sociale gelijkheid en evenwichtige belangenafweging als uitgangspunt.
De ingrijpende wijziging in het narratief had niet alleen betrekking op de economische sturing, maar ook welke rol de staat ten opzichte van samenleving en democratie moest spelen. Dat werd beargumenteerd op grond van al sinds de jaren zeventig bestaande zorgen over de groei van maatschappelijk protest en de eisen die vanuit de samenleving aan de overheid werden gesteld. De staat is niet opgewassen tegen de “overlading met deelnemers en eisen”, aldus het rapport The Crisis of Democracy voor de Trilateral Commission uit 1975.[52] Onder invloed van deze kritiek, samen met de destijds bestaande onvrede over het functioneren van de overheid, komt er een roep om herstel van het publieke handelingsvermogen van de staat. Dat moet, om beter opgewassen te zijn tegen de talloze belangen, zijn vorm krijgen in een bedrijfsmatige inrichting van de staatsorganisatie, het ‘new public management’. Om effectief te zijn moest de overheid zich net als het bedrijfsleven richten op kerntaken en voorbereidings- en uitvoeringsactiviteiten zoveel mogelijk verzelfstandigen en privatiseren of via contracten uitbesteden aan onderaannemers. Vanuit een breed maar vaag geformuleerd concept van publiek belang werd de overheid primair gezien als facilitator of bij uitzondering als marktmeester. Zelfs beleidsontwikkeling kon uitbesteed worden. Immers, de overheid volgde slechts wat de markt en de samenleving wilden, zo was de gedachte.[53]
Het bood ruimte voor een toenemende technocratisering en depolitisering van staat en politiek. Want juist om dat publieke handelingsvermogen van de staat te versterken kregen de overheid en haar topambtenaren een nog veel centralere rol in het richting geven aan de beleidsontwikkeling. Zij moesten zich steeds proactief afvragen welke publieke belangen wel of niet gediend moesten worden en daarvoor zelfstandig oplossingsrichtingen aandragen, vaak voorbereid door de kennisinstellingen aan de rand van de centrale overheid, zoals CPB, WRR en SCP. Al onder de kabinetten-Lubbers draaide de rolverdeling tussen ambtenaren en politiek om: beleidseconomen bedachten oplossingen, die vervolgens aan politici werden overgedragen als neutrale ingrepen om te worden verdedigd. [54] Het onderzoek van Woltring laat zien dat het nieuwe technocratische narratief zich in Nederland vestigde via een epistemische gemeenschap van ambtenaren, wetenschappers en beleidsmakers. Dit netwerk van professionals in vaak uitwisselbare rollen kende gedeelde theorieën en overtuigingen en kon daarmee een gezaghebbende claim op beleidsrelevante kennis doen die om te zetten was in bureaucratische én politieke macht.[55] Zo werd de stap gemaakt van ambtenaren als technici of ingenieurs die de politieke koers ondersteunden naar technocraten die een eigen koers uitzetten. De centrale rol van de klassieke volkspartijen in het ontwikkelen van een koers voor de samenleving werd minder belangrijk gevonden. En gaf daarmee mede de aanzet tot het grote functieverlies van de klassieke volkspartijen, die niet langer zelfstandig grote groepen uit de samenleving en diverse maatschappelijke bewegingen konden verbinden in een breed gedragen koers. Hun functie liet zich beperken tot campagnevoeren voor politieke functies.[56]
In Nederland is die technocratisering van staat en politiek nogal impliciet gegroeid. Dat leert een vergelijking met Italië waar op enkele crisismomenten expliciet technocratische regeringen werden ingesteld, zoals eerst die van Ciampi (1993-1994) en Dini (1995-1996) en later die van Monti (2011-2013) en Draghi (201-2022). Wat de Italiaanse ontwikkelingen laten zien dat dit type regeringen niet moeten worden gezien als zaakwaarnemers of overgangsregeringen, hoewel ze in eerste instantie wel als zodanig worden gepresenteerd. Het blijken echte regeringen met een volledig politiek karakter. Het neutrale, technische karakter van deze regeringen verhult dit maar laat bij nadere analyse steeds het dominante politiek-economische narratief van het neoliberalisme en het institutionele ‘new public management’ zien. Maatregelen worden politieke gelegitimeerd door ze te benoemen als onvermijdelijk en de beste technische oplossing, onder het aanroepen van ‘expert knowledge’.[57]
Dit soort interim- of overgangskabinetten met een expliciet technocratisch karakter heeft ons land niet gehad, al komt het regeren van Mark Rutte en Hugo de Jonge tijdens Covid-crisis met hulp van een extra minister (van Rijn) en een externe expert (Sijbesma) wel in de buurt. Ons land kent echter al decennialang kabinetten die steunen op een mix van technocratische en politieke legitimaties. Op kabinetsniveau zien we die mix terug in de vier kabinetten-Rutte. Rutte zelf is het schoolvoorbeeld van een politicus die met zijn afkeer van visie depolitiseert en technocratische, maar waarden-geladen, keuzes presenteert als neutrale oplossingen.[58] Daarnaast zien we steeds vaker een overstap van topambtenaren naar een politieke rol en omgekeerd (Wiebes, van Rijn, Ollengren, Vijlbrief, Koolmees, de Bruijn, van Veldhoven). Technocratie is net zo politiek als ‘politieke’ politiek: politiek voortgezet met andere middelen, waarbij niet de waardengedrevenheid legitimatie verschaft maar de expertise op specifieke beleidsterreinen. In het net aangetreden kabinet-Schoof wordt die lijn gewoon doorgetrokken (Van Weel, Uitermark, Veldkamp, Struycken, en natuurlijk de minister-president zelf).
In de roep om het sterkere publieke handelingsvermogen krijgt in het narratief ook de definitie burgerparticipatie in beleids- en besluitvorming een andere inhoud. Enerzijds wordt er grote waarde aan toegekend als onderdeel een gestage ontwikkeling naar meer en betere participatie. Vanuit die waardering heeft zich in de afgelopen decennia een uitgebreid inspraak- en participatiemanagement vanuit het openbaar bestuur ontwikkeld. Zo ging het nieuwe kabinet-Balkende IV op luistertoer met de bevolking en geen enkele gemeente, provincie of beleidsinstantie kan nog heen om uitgebreide sessie met raadpleging van de burgerij. Anderzijds wordt de burger ook altijd als een gevaar gezien en moet participatie onder controle worden gehouden en begrensd: “het moet niet te gek worden” of een onuitgesproken ”het past niet in ons straatje”. Het maatschappelijk middenveld mag niet ingaan tegen de markt of de competitieve samenleving. De vakbonden mogen niet te sterk zijn en de rol van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties werd sterk hervormd. De verhouding tussen staat en maatschappelijke democratie werd vanuit de overheid een ‘gemanagede democratie’, die zijn uitdrukking vindt in sterk geprofessionaliseerde en van bovenaf geleide politieke mediacampagnes en grote communicatieafdelingen in het openbaar bestuur die het contact met de burger organiseren, richting geven en zo nodig inperken.
Naast het managen van de participatie wordt in de verhouding tussen staat en burger ook nog een andere deel van het speelveld ontwikkeld dat depolitiserend werkt. Er wordt een steeds groter belang gehecht aan het afhandelen van conflicten via het recht. We zien dat terug in een enorme toename van juridische geschillen. Vanuit de marktideologie past dat meningsverschillen en conflicten over marktgedrag via de rechter worden opgelost, waarin de overheid geen rol speelt. In de bedrijfswereld zien we dat steeds meer rechtszaken tussen bedrijven onderling en in de relatie tussen bedrijven en consumenten in de vorm van massale schadeclaims. Bij de overheid zien we dat zowel in de sfeer van beleidsvorming, waarbij inspraak verregaand is gejuridiseerd als in de beleidsuitvoering, waarbij zoals in de Urgenda-klimaatzaak de overheid via de hoogste rechter aan zijn eigen regels wordt gehouden.[59] Hoe begrijpelijk ook op zich, het is tegelijk een voorbeeld waarbij niet de politiek maar de rechter de staat aan zijn uitspraken houdt.
Technocratische beleidsvorming van bovenaf en gemanagede participatieprocessen leiden tot inhoudelijke begrenzingen aan het democratisch debat. Het soort rol van de overheid en de vorm van participatie zijn niet goed bespreekbaar. Ondanks herhaalde rapporten over het tekort schietend functioneren van de politieke democratie verandert er weinig. Dat kunnen we aflezen aan het feit dat politieke besluiten in Nederland een duidelijk scheve invloed kennen ten gunste van de hogere inkomens. Dat komt, aldus de politicoloog Wouter Schakel, door de grotere politieke participatie van hogere inkomens en, in mindere mate, de lobby van bedrijven.[60] Ook in de sfeer van de rechtsbescherming is het de vraag of de toegenomen juridisering, bedoeld als betere toegang tot het recht, wel goed uitpakt. Niet alleen zien we dat aan de verschillende affaires zoals het Toeslagenschandaal, maar recent constateerde de Staatscommissie Rechtsstaat dat de belofte van de rechtsstaat breder wordt gebroken.[61] En de WRR vraagt zich expliciet af of de uitbreiding van participatie, zoals bijvoorbeeld voorzien in de nieuwe Omgevingswet, niet betekent dat burgers juist minder grip op hun leven krijgen.[62] En zo werkt ook dit derde narratief beperkend voor het democratisch debat over gelijkheid en eerlijkheid.
De kuisheidsgordel af
In een breder kader geplaatst zien we dat de verzwakking van de democratie zich ontwikkelt op een voedingsbodem van een fors toenemende sociale ongelijkheid. Grote groepen mensen hebben moeite om volledig als mens te kunnen functioneren en hebben te maken met groeiende vitale, existentiële en hulpbronongelijkheid. Zozeer zelfs dat de ongelijkheid zich vastzet in een lastig te wijzigen klassenstructuur, die de bestaande maatschappelijke verhoudingen doet verstenen en verandering tegenhoudt. Het is die toenemende ongelijkheid die zorgt dat de democratie onder spanning komt te staan. Burgers geloven niet meer dat de democratie voor voldoende sociale cohesie zorgt en dat de overheid genoeg voor hen doet. Is het bij de bovenste klassen al een kwart van de mensen dat vindt dat de overheid te weinig voor hen doet. Bij de drie klassen aan de onderkant van de samenleving stijgt dat percentage tot boven de 50%.[63]
De drie hierboven beschreven narratieven die economie, samenleving en staat domineren zijn verantwoordelijk voor de het onzichtbaar en onbespreekbaar maken van de groeiende ongelijkheid: het ontketende kapitalisme van de neoliberale politieke economie vanaf de jaren negentig van de vorige eeuw, het daarmee samenhangende meritocratisch-competitieve samenlevingsmodel (“jezelf als ondernemer”) en de technocratische staat met de gemanagede democratie. Wie goed kijkt, ziet dat het ontketende kapitalisme de belangrijkste drijver is achter de vier mechanismes (afstandsvergroting, uitbuiting, uitsluiting en hiërarchisering) van ongelijkheid. Het samenlevingsmodel versterkt dat via het aanjagen van afstandsvergroting en van existentiële onzekerheid in de vorm van competitie om een plek in het sociale netwerk. En bevestigt dat in de vorm van een hardnekkige, in een hiërarchische klassenstructuur vastgelegde ongelijkheid. En het staatsproject bepaalt de kaders van de verdeling van hulpbronnen en managet en beperkt de toegankelijkheid van politiek en recht.
Tezamen bepalen deze drie narratieven de grenzen van de democratie en het inhoudelijke debat, het speelveld waarbinnen de politiek zich afspeelt. Mag afspelen, moet je zeggen, omdat de narratieven ontwikkelingen presenteren als noodzakelijk en onontkoombaar. In de woorden van de Zweedse socioloog Therborn: democratie met een kuisheidsgordel om.[64]
De laatste jaren worden voorzichtig barsten zichtbaar in de overtuigingskracht van de genoemde narratieven, maar van een brede, effectieve omslag is nog geen sprake.[65] Het Toeslagenschandaal en Groningen hebben het technocratisch staatsproject ter discussie gesteld. De sociale en ecologische investeringsprogramma’s van de EU vanwege Covid-19 en de klimaatcrisis vragen een andere benadering van economische sturing dan het neoliberalisme. De zorgen in de samenleving over de stress, discriminatie en mentale gezondheid op en buiten het werk, en met name onder jongeren, kunnen niet worden opgelost binnen het competitieve samenlevingsmodel. De reeks aan rapporten van parlementaire enquêtes en adviescolleges weerspiegelen dat. Echter zonder dat ze overigens de heersende narratieven zelf ter discussie stellen.[66]
En daarmee zijn we weer terug bij de vraag aan het begin van dit essay waarom je het gevoel bekruipt dat de verdedigende acties voor de democratie onvoldoende hout snijden en de vele voorstellen voor verbetering en versterking van de democratie smeekbedes blijven. De kern daarvan is dat die voorstellen niet verbonden worden aan versterking van de waardigheid en brede sociale gelijkheid van burgers door de mechanismes en politieke keuzes aan te pakken die dat belemmeren. Met de gegroeide ongelijkheid nog steeds buiten beeld komen de voorstellen niet verder dan de bestaande grenzen van de gemanagede democratie en de twee andere narratieven. Het blijft democratie met een kuisheidsgordel om.
Dat heeft ook gevolgen voor de bestrijding van radicaal-rechts waar veel voorstellen een bijdrage aan hopen te leveren. Door binnen de grenzen van de bestaande narratieven te blijven, voeren ze in termen van de Italiaanse politiek-theoreticus Antonio Gramsci een ‘bewegingsoorlog’.[67] Een bewegingsoorlog die op zijn plaats is als het gaat om de aantasting van de democratie waar radicaal-rechts op uit is. Maar die door het ontbreken van een verbinding met het bestrijden van maatschappelijke ongelijkheid in al zijn vormen ook onvoldoende is om radicaal-rechts te bestrijden. Immers, radicaal-rechts vindt zijn voedingsbodem in de mobilisatie van maatschappelijke ontevredenheid over ongelijkheid. Effectieve bestrijding vereist een lange adem, in Gramsciaanse termen gaat het dan over het voeren van een ‘stellingenoorlog’, waarin de huidige narratieven worden opengebreken. Waarin nieuwe narratieven de boventoon gaan voeren die solidariteit en vrijheid als uitgangspunt nemen om de ongelijkheid in onze bekwaamheid om volledig mens tegen te gaan. Een vrijheid die, in de woorden van Joseph Stiglitz, breekt met de definitie van vrijheid als ‘vrije markt’ en die het menselijk floreren in de goede samenleving centraal stelt.[68]
De zorgen om onze democratie kunnen alleen worden weggenomen als we er – opnieuw – een brede politieke en maatschappelijke strijd van maken. Breed doordat politiek weer over waarden gaat in plaats van competitie om functies en breed doordat politiek weer autonoom, buiten de huidige narratieven, maatschappelijke normen en ideaalbeelden formuleert. Dat was wat begin januari 2024 de Italiaanse President Sergio Mattarella onderstreepte in zijn toespraak bij de jaarwisseling, die ik aan het begin van dit essay citeerde. Met Mattarella moeten we ons afvragen hoe we richting kunnen geven aan onze politieke en sociale gemeenschap en op welke krachten we daarbij kunnen bouwen. We kunnen ons daarbij laten inspireren door de L’Allegoria ed Effetti del Buono e del Cattivo Governo, de prachtige fresco’s die Ambrogio Lorenzetti in de 14e eeuw in het Palazzo Pubblico van Siena aanbracht.[69] Een goede regering komt tenslotte niet alleen procedureel juist tot stand, maar doet ook de goede dingen.
Literatuurlijst
‘S Jongers, Tim. Armoede Uitgelegd Aan Mensen Met Geld. Amsterdam: de Correspondent, 2024.
Beek, Jan van de. Migratiemagneet Nederland. Mythen, Feiten, Oplossingen. Amsterdam: Uitgeverij Blauwburgwal, 2024.
Beer, Paul de. “Slotrede Conferentie Vakbeweging En Wetenschap.” Amsterdam, 6 november 2024 2024.
Charim, Isolde. Narcisme. Over Vrijwillige Onderwerping. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2023.
De Vicq, Amaury, Simon Toussaint, Tim van der Valk, and Michael Moatsos. “De Vermogensongelijkheid Stijgt Sinds De Jaren Tachtig.” ESB 108, no. 4820 (2023): 156. https://esb.nu/de-vermogensongelijkheid-stijgt-sinds-de-jaren-tachtig/.
Evans, Dan. A Nation of Shopkeepers. The Unstoppable Rise of the Petty Bourgeoisie. London: Repeater, 2023.
Friedman, Thomas. The World Is Flat. London: Allan Lane, 2005.
Gescinska, Alicia. De Illiberale Verleiding. Over De Uitholling Van De Democratische Rechtsstaat. Antwerpen: Borgerhof en Lamberigts, 2024.
Giannone, Diego, and Adriano Cozzolino. La Democrazia Dei Tecnocratici. Milano: Meltemi, 2023.
Gramsci, Antonio. Grondbegrippen Van De Politiek. Hegemonie, Staat, Partij. Vol. Sunschrift, Nijmegen: SUN, 1980.
Haas, Hein de. Hoe Migratie Echt Werkt. Het Ware Verhaal over Migratie Aan De Hand Van 22 Mythen. Utrecht: Spectrum, 2023.
Habermas, Jürgen. Een Nieuwe Structuurverandering Van Het Publieke Domein. Amsterdam: Boom, 2023.
Heijne, Sander, and Hendrik Noten. Fantoomgroei. Amsterdam: Atlas Contact, 2022.
Hurenkamp, Menno. Valse Vrienden. Democratiearmoede En Wat Eraan Te Doen. Utrecht, Universiteit voor Humanistiek, 2024.
Iperen, Roxanne van. Eigen Welzijn Eerst. Amsterdam: Thomas Rap, 2022.
Kieft, Ewoud. Vechten Voor Democratie. 2022.
Koole, Wibo. “Voorwoord.” In Veerkracht. De Weg Naar Een Sterkere Organisatiecultuur. Amsterdam: Business Contact, 2024.
Koole, Wibo, and Göran Therborn. “De ‘Casablanca-Solution’ Voorbij. De Merkwaardige Dood Van Het Keynesianisme En De Relatieve Verpaupering Van Nederland.” In Socialisten in No-Nonsense Tijd, edited by Siep Stuurman and Pim Fortuyn, 11-32. Nijmegen: SUN, 1987.
Lijster, Thijs. Wat We Gemeen Hebben. Een Filosofie Van De Meenten. Amsterdam: De Bezige Bij, 2023.
Luyten, Marcia. De Democratie Is Niet Voor Bange Mensen. Amsterdam: De Bezige Bij, 2023.
Maier, Charles S. The Project-State and Its Rivals. A New History of the Twentieth and Twenty-First Centuries. Cambridge: Harvard University Press, 2023.
Mair, Peter. Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy. London: Verso, 2023.
Mattarella, Sergio. Messaggio Di Fine Anno Del Presidente Della Repubblica Sergio Mattarella. Roma, 2023.
Meer, Tom van der. Waardenloze Politiek. Amsterdam: Querido Facto, 2024.
Meeus, Tom-Jan. Duidelijkheid. Amsterdam: Maand van de filosofie, 2024.
Meijer, Eva. Misschien Is Een Ander Woord Voor Hoop. Amsterdam: De Geus, 2022.
Mellink, Bram, and Merijn Oudenampsen. Neoliberalisme. Een Nederlandse Geschiedenis. Amsterdam: Boom, 2022.
Merkel, Wolfgang. “Is Capitalism Compatible with Democracy?”. Zeitschrift für Vergleichende Politikwissenschaft 8, no. 2 (2014): 109-28. https://doi.org/10.1007/s12286-014-0199-4.
Nussbaum, Martha C. Creating Capabilities. Cambridge: Belknap Press, 2011.
Oenen, Gijs van. Onbegrepen Overheid. Tegendraads Denken over De Staat. Amsterdam: Boom, 2024.
Orwell, George, and Bas Heijne. Over Nationalisme. Amsterdam: Prometheus, 2023.
Oudenampsen, Merijn, Sam de Munck, Bram Mellink, and Joris Tieleman. “Ambtenarij – De Denkende Overheid.” Chap. 15 In Er Is Wél Een Alternatief. Postkapitalisme – Een Einde Aan De Roofbouw Op Aarde En Mens., edited by Hans Rodenburg, Noortje Thijssen and Koen Bruning, 243-58. Amsterdam: Ambo | Anthos, 2023.
Piketty, Thomas. Een Kleine Geschiedenis Van De Gelijkheid. Amsterdam: De Geus, 2022.
Pool, Erik. Macht En Moed. Ambtelijk Vakmanschap En De Kunst Van Het Tegenspreken. Amersfoort: Internationale School voor Wijsbegeerte, 2021.
Putters, Kim. Het Einde Van De Bv Nederland. Amsterdam: Prometheus, 2022.
Reurink, Arjan, and Nik de Boer. “Waarom Hebben We Het Zo Weinig over Financialisering?”. Socialisme & Democratie 81, no. 2 (2024): 8-15.
Rhodes, Carl. Capitalismo Woke. Roma: Fazi Editore, 2024.
Rijk, Mirjam de. Gekaapt Door Het Kapitaal. Amsterdam: Uitgevereij Pluijm, 2024.
Rijsbergen, Dylan van. De Net-Niet Elite. Zutphen: Mazirel Pers, 2024.
Schaake, Marietje. De Techcoup. Amsterdam: Atlas Contact, 2024.
Schakel, Wouter. “Unequal Policy Responsiveness in the Netherlands.” Socio-Economic Review 19, no. 1 (2021): 37-57. https://doi.org/10.1093/ser/mwz018.
Scurati, Antonio. Fascismo E Populismo. Mussolini Oggi. Firenze: Bompiani, 2023.
———. Gli Ultimi Giorni Di Europa. 2022.
———. M. Il Figlio Del Secolo. Firenze: Bompiani, 2019.
———. M. L’uomo Della Providenza. Milano: Bompiani, 2020.
Segers, Mathieu. “Een Politiek Van Gevolgen.” De Groene Amsterdammer 2021, no. 46 (17 november 2021 2021).
———. “Kroniek Van Een Jeune Premier.” De Groene Amsterdammer, no. 2 (13 januari 2021 2021).
Sen, Amartya. Inequality Reexamined. Cambridge MA: Harvard University Press.
Sociaal en Cultureel Planbureau. Eigentijdse Ongelijkheid. De Postindustriële Klassenstructuur Op Basis Van Vier Typen Kapitaal. Sociaal en Cultureel Planbureau (Den Haag: 2023).
Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050. Gematigde Groei. (Den Haag: 2024).
Staatscommissie Rechtsstaat. De Gebroken Belofte Van De Rechtsstaat. (2024).
“Bovenaan Welvaartsladder Bijna 25 Jaar Langer in Goede Gezondheid.” CBS, 2022, accessed 8 november 2024, https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/51/bovenaan-welvaartsladder-bijna-25-jaar-langer-in-goede-gezondheid.
Stiglitz, Joseph. The Road to Freedom. Economics and the Good Society. London: Allen Lane, 2024.
Suleyman, Mustafa. The Coming Wave. Ai, Power and the 21st Century’s Greatest Dilemma. 2023.
Therborn, Göran. Inequality and the Labyrinths of Democracy. London: Verso, 2020.
———. The Killing Fields of Inequality. Cambridge: Polity, 2013.
Tromp, Jan. “‘Duidelijkheid’ Van Tom-Jan Meeus Is Een Knap En Verontrustend Essay.” Volkskrant. (5 april 2024 2024). Accessed 23 april 2024. https://www.volkskrant.nl/boeken/recensie-duidelijkheid-van-tom-jan-meeus-is-een-knap-en-verontrustend-essay~bd924baf/.
Veldhuizen, Ronald. “Bij Vrijwel Elke Ziekte Speelt Sociaal-Economische Status Een Rol: ‘Chronische Stress Doet Heel Ongezonde Dingen in Ons Lijf’.” Volkskrant (1 november 2024). https://www.volkskrant.nl/wetenschap/bij-vrijwel-elke-ziekte-speelt-sociaal-economische-status-een-rol-chronische-stress-doet-heel-ongezonde-dingen-in-ons-lijf~b8c01ca8/.
Vrooman, Cok. Meedoen in Onzekerheid. Verwachtingen over Participatie En Protectie. Utrecht, Universiteit Utrecht Faculteit Sociale Wetenschappen, 2016.
Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid. Goede Zaken. Naar Een Grotere Maatschappelijke Bijdrage Van Ondernemingen. Den Haag: WRR, 2023.
———. Grip. Het Maatschappelijk Belang Van Persoonlijke Controle. (2023).
Woltring, Naomi. De Marktconforme Verzorgingsstaat. Amsterdam: Boom, 2024.
WRR. Het Borgen Van Publiek Belang. Rapporten Aan De Regering 56. Den Haag: SDU Uitgevers, 2000.
Ziegler, Floor, and Teun Gautier. Een Wereld Van Gemeenschappen. Rotterdam: Lemniscaat, 2023.
Zuboff, Shoshana. The Age of Surveillance Capitalism. London. Profile Books, 2019.
Noten
[1] Sergio Mattarella, Messaggio di fine anno del Presidente della Repubblica Sergio Mattarella, (Roma 2023). In vertaling:
“Want democratie bestaat uit de uitoefening van vrijheid. Vrijheden die degenen die publieke functies uitoefenen – op alle niveaus – geroepen zijn te garanderen. (…) We mogen ons niet laten overmeesteren door berusting. Of onverschilligheid. We moeten ons niet in onszelf opsluiten uit angst dat de onstuimige nieuwigheden die voor ons liggen alleen maar gevaren met zich meebrengen. Deelnemen aan het leven en de keuzes van de gemeenschap is niet alleen een plicht, maar ook een recht op vrijheid. Het is ook een recht op een toekomst. Om te bouwen aan de toekomst. Deelnemen betekent de leiding nemen over de gemeenschap. Ieder van zijn kant.”
[2] Göran Therborn, Inequality and the labyrinths of democracy (London: Verso, 2020), 23.
[3] Tom-Jan Meeus, Duidelijkheid (Amsterdam: Maand van de filosofie, 2024).
[4] Antonio Scurati, M. Il figlio del secolo (Firenze: Bompiani, 2019); Antonio Scurati, M. L’Uomo della Providenza (Milano: Bompiani, 2020); Antonio Scurati, Gli Ultimi Giorni di Europa (2022); Antonio Scurati, Fascismo e populismo. Mussolini oggi (Firenze: Bompiani, 2023).
[5] Tom van der Meer, Waardenloze politiek (Amsterdam: Querido Facto, 2024).
[6] Mathieu Segers, “Een politiek van gevolgen,” De Groene Amsterdammer 2021, no. 46 (17 november 2021 2021).
Jürgen Habermas, Een nieuwe structuurverandering van het publieke domein (Amsterdam: Boom, 2023).
Eva Meijer, Misschien is een ander woord voor hoop (Amsterdam: De Geus, 2022).
Ewoud Kieft, Vechten voor democratie (2022).
George Orwell and Bas Heijne, Over nationalisme (Amsterdam: Prometheus, 2023).
Marcia Luyten, De democratie is niet voor bange mensen (Amsterdam: De Bezige Bij, 2023).
Roxanne van Iperen, Eigen welzijn eerst (Amsterdam: Thomas Rap, 2022).
Alicia Gescinska, De illiberale verleiding. Over de uitholling van de democratische rechtsstaat (Antwerpen: Borgerhof en Lamberigts, 2024).
Menno Hurenkamp, Valse Vrienden. Democratiearmoede en wat eraan te doen, (Utrecht: Universiteit voor Humanistiek, 2024).
Erik Pool, Macht en moed. Ambtelijk vakmanschap en de kunst van het tegenspreken (Amersfoort: Internationale School voor Wijsbegeerte, 2021).
[7] Jan Tromp, “‘Duidelijkheid’ van Tom-Jan Meeus is een knap en verontrustend essay,” Volkskrant (5 april 2024 2024). https://www.volkskrant.nl/boeken/recensie-duidelijkheid-van-tom-jan-meeus-is-een-knap-en-verontrustend-essay~bd924baf/.
[8] Meeus, Duidelijkheid, 69.
[9] Kim Putters, Het einde van de BV Nederland (Amsterdam: Prometheus, 2022).
[10] Amartya Sen, Inequality Reexamined (Cambridge MA: Harvard University Press), chapter 3.
Martha C. Nussbaum, Creating capabilities (Cambridge: Belknap Press, 2011), 32.
Zie ook: https://hdr.undp.org/about/human-development (bezocht op 7 november 2024).
[11] Göran Therborn, The Killing Fields of Inequality (Cambridge: Polity, 2013), 49. Hij baseert zijn driedeling op het uitgangspunt dat mensen organismes zijn met lichaam en geest, onderhevig aan pijn, lijden en dood; personen, met een eigen persoonlijkheid, die hun leven leiden in sociale contexten van betekenis en emoties; en actoren, in staat om te handelen naar oogmerken en doelen.
[12] Therborn, The Killing Fields of Inequality, 54-65. Zie voor een helder overzicht van de (contra)mechanismes tabel 4 en 5 op die pagina’s.
[13] OECD-data geciteerd in: Therborn, The Killing Fields of Inequality, 66.
[14] Thomas Piketty, Een kleine geschiedenis van de gelijkheid (Amsterdam: De Geus, 2022).
[15] “Bovenaan welvaartsladder bijna 25 jaar langer in goede gezondheid,” CBS, 2022, accessed 8 november 2024, https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2022/51/bovenaan-welvaartsladder-bijna-25-jaar-langer-in-goede-gezondheid.
[16] Ronald Veldhuizen, “Bij vrijwel elke ziekte speelt sociaal-economische status een rol: ‘Chronische stress doet heel ongezonde dingen in ons lijf’,” Volkskrant (1 november 2024), https://www.volkskrant.nl/wetenschap/bij-vrijwel-elke-ziekte-speelt-sociaal-economische-status-een-rol-chronische-stress-doet-heel-ongezonde-dingen-in-ons-lijf~b8c01ca8/.
[17] Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle (2023), 109.
[18] Veldhuizen, “Bij vrijwel elke ziekte speelt sociaal-economische status een rol: ‘Chronische stress doet heel ongezonde dingen in ons lijf’.”
[19] Cok Vrooman, Meedoen in onzekerheid. Verwachtingen over participatie en protectie, (Utrecht: Universiteit Utrecht Faculteit Sociale Wetenschappen, 2016).
[20] Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle, 40-48.
[21] Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle, 45.
[22] Sociaal en Cultureel Planbureau, Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal, Sociaal en Cultureel Planbureau (Den Haag, 2023), 20.
[23] Amaury De Vicq et al., “De vermogensongelijkheid stijgt sinds de jaren tachtig,” ESB 108, no. 4820 (2023), https://esb.nu/de-vermogensongelijkheid-stijgt-sinds-de-jaren-tachtig/.
Piketty, Een kleine geschiedenis van de gelijkheid.
[24] Tim ‘S Jongers, Armoede uitgelegd aan mensen met geld (Amsterdam: de Correspondent, 2024).
[25] Staatscommissie Rechtsstaat, De gebroken belofte van de rechtsstaat (2024), IX.
[26] Sociaal en Cultureel Planbureau, Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal, 21.
[27] Niet alleen lengte, gewicht en gezichtsassymmetrie, maar ook huidskleur, gespierdheid, lichaamsgeur, stemgeluid, de gebitsstaat, afwezigheid van rimpels, littekens en andere onvolkomenheden via diverse vormen van uiterlijke verzorging (kleedstijl, schoeisel, kapsel, make-up, sieraden, tatoeages, piercings) naar erotisch aantrekkingskracht en psychologische kenmerken zoals charme, vriendelijkheid en dienstbaarheid. Zie: Sociaal en Cultureel Planbureau, Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal, 22.
[28] Sociaal en Cultureel Planbureau, Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal, 8.
[29] Bram Mellink and Merijn Oudenampsen, Neoliberalisme. Een Nederlandse geschiedenis (Amsterdam: Boom, 2022).
Wibo Koole and Göran Therborn, “De ‘Casablanca-solution’ voorbij. De merkwaardige dood van het keynesianisme en de relatieve verpaupering van Nederland,” in Socialisten in no-nonsense tijd, ed. Siep Stuurman and Pim Fortuyn (Nijmegen: SUN, 1987).
[30] Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, Goede zaken. Naar een grotere maatschappelijke bijdrage van ondernemingen (Den Haag: WRR, 2023), 86-99.
[31] Naomi Woltring, De marktconforme verzorgingsstaat (Amsterdam: Boom, 2024).
[32] Sociaal en Cultureel Planbureau, Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal, 19.
[33] Thomas Friedman, The world is flat (London: Allan Lane, 2005).
[34] Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, Goede zaken. Naar een grotere maatschappelijke bijdrage van ondernemingen, 97.
[35] Arjan Reurink and Nik de Boer, “Waarom hebben we het zo weinig over financialisering?,” Socialisme & Democratie 81, no. 2 (2024).
[36] Shoshana Zuboff, The Age of Surveillance Capitalism, London, (Profile Books, 2019).
[37] Mustafa Suleyman, The Coming Wave. AI, Power and the 21st Century’s Greatest Dilemma (2023).
Marietje Schaake, De techcoup (Amsterdam: Atlas Contact, 2024).
[38] Hein de Haas, Hoe migratie echt werkt. Het ware verhaal over migratie aan de hand van 22 mythen (Utrecht: Spectrum, 2023).
[39] Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050, Gematigde Groei (Den Haag, 2024). Dit rapport is een voorbeeld van zo’n neutrale analyse, zie par. 3.2. Een analyse van de oorzaken van migratie (p. 89-93) en par. 8.3. Handelingsperspectieven II: Robuust Beleid (p. 378-387).
[40] Charles S. Maier, The Project-State and Its Rivals. A New History of the Twentieth and Twenty-First Centuries (Cambridge: Harvard University Press, 2023), 377-78.
[41] Carl Rhodes, Capitalismo Woke (Roma: Fazi Editore, 2024).
[42] Sander Heijne and Hendrik Noten, Fantoomgroei (Amsterdam: Atlas Contact, 2022).
[43] Isolde Charim, Narcisme. Over vrijwillige onderwerping (Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2023), 73.
[44] Dan Evans, A Nation of Shopkeepers. The Unstoppable Rise of the Petty Bourgeoisie (London: Repeater, 2023), 154-58.
Dylan van Rijsbergen, De net-niet elite (Zutphen: Mazirel Pers, 2024).
[45] Wibo Koole, “Voorwoord,” in Veerkracht. De weg naar een sterkere organisatiecultuur (Amsterdam: Business Contact, 2024).
[46] Paul de Beer, “Slotrede Conferentie Vakbeweging en wetenschap,” (Amsterdam, 6 november 2024 2024).
[47] Thijs Lijster, Wat we gemeen hebben. Een filosofie van de meenten (Amsterdam: De Bezige Bij, 2023).
Floor Ziegler and Teun Gautier, Een wereld van gemeenschappen (Rotterdam: Lemniscaat, 2023).
[48] Therborn, Inequality and the labyrinths of democracy, 49-52.
Mirjam de Rijk, Gekaapt door het kapitaal (Amsterdam: Uitgevereij Pluijm, 2024).
[49] Jan van de Beek, Migratiemagneet Nederland. Mythen, feiten, oplossingen (Amsterdam: Uitgeverij Blauwburgwal, 2024); Haas, Hoe migratie echt werkt. Het ware verhaal over migratie aan de hand van 22 mythen.
[50] Maier, The Project-State and Its Rivals. A New History of the Twentieth and Twenty-First Centuries.
[51] Woltring, De marktconforme verzorgingsstaat, 54-69.
[52] Maier, The Project-State and Its Rivals. A New History of the Twentieth and Twenty-First Centuries, 242-43.
[53] WRR, Het borgen van publiek belang, Rapporten aan de regering 56, (Den Haag: SDU Uitgevers, 2000).
[54] Koole and Therborn, “De ‘Casablanca-solution’ voorbij. De merkwaardige dood van het keynesianisme en de relatieve verpaupering van Nederland.”
Merijn Oudenampsen et al., “Ambtenarij – De denkende overheid,” in Er is wél een alternatief. Postkapitalisme – een einde aan de roofbouw op aarde en mens., ed. Hans Rodenburg, Noortje Thijssen, and Koen Bruning (Amsterdam: Ambo | Anthos, 2023), 246-49.
[55] Woltring, De marktconforme verzorgingsstaat, 15-16.
[56] Peter Mair, Ruling the Void. The Hollowing of Western Democracy (London: Verso, 2023).
[57] Diego Giannone and Adriano Cozzolino, La democrazia dei tecnocratici (Milano: Meltemi, 2023), 201.
[58] Mathieu Segers, “Kroniek van een jeune premier,” De Groene Amsterdammer, no. 2 (13 januari 2021 2021).
Segers, “Een politiek van gevolgen.”
[59] https://www.rechtspraak.nl/Bekende-rechtszaken/klimaatzaak-urgenda.
[60] Wouter Schakel, “Unequal policy responsiveness in the Netherlands,” Socio-Economic Review 19, no. 1 (2021), https://doi.org/10.1093/ser/mwz018.
[61] Staatscommissie Rechtsstaat, De gebroken belofte van de rechtsstaat.
[62] Zie de kritische analyse van de WRR hierover: Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid, Grip. Het maatschappelijk belang van persoonlijke controle, 160-61.
[63] Sociaal en Cultureel Planbureau, Eigentijdse ongelijkheid. De postindustriële klassenstructuur op basis van vier typen kapitaal, 8.
[64] Therborn, Inequality and the labyrinths of democracy, 28.
[65] Wolfgang Merkel, “Is capitalism compatible with democracy?,” Zeitschrift für Vergleichende Politikwissenschaft 8, no. 2 (2014), https://doi.org/10.1007/s12286-014-0199-4.
[66] WRR, SCP, Staatscommissie Rechtsstaat, Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050.
[67] Antonio Gramsci, Grondbegrippen van de politiek. Hegemonie, staat, partij, vol. Sunschrift (Nijmegen: SUN, 1980).Gijs van Oenen, Onbegrepen overheid. Tegendraads denken over de staat (Amsterdam: Boom, 2024).
[68] Joseph Stiglitz, The Road to Freedom. Economics and the Good Society (London: Allen Lane, 2024).
[69] https://nl.wikipedia.org/wiki/Allegorie_van_goed_en_van_slecht_bestuur.